Historische Vereniging Wieringen

Opgericht 17 mei 1989

Oosterland

Op weg naar Oosterland. De kaasfabriek waar de mannen over praten staat in Hippolytushoef aan de Koningsstraat, 'Nooit Gedacht' is de naam. Dit was echter niet de eerste kaasfabriek op Wieringen. De primeur had Oosterland met 'De Eendracht'. Op 12 maart 1904 werd tot oprichting van deze fabriek besloten.

De leden - leveranciers waren Simon Cornelis Bakker, Volkert Heijblok, Cornelis Maars, Dirk Klein Simonz., Simon Klein Simonz., Willem Kaan, Meijert Heijblok Sr., Simon Johannes Rotgans, Albert Simon Klein Jzn., Jannes Bosker, Albert Kooijman, Pieter Janz. Lont en Cornelis Metselaar. Later traden nog toe Jacob Nanzn. Keijzer, Willem Snooij en Simon Koorn. Zij verplichten zich de melkopbrengst van hun vee, met elkaar 82 melkkoeien, te leveren aan de fabriek. De boeren lieten over de plannen geen gras groeine, op 24 maart werd een bestuur gekozen. Directeur werd C. Maars, commissarissen W. Kaan, N. Heijblok, S. Bakker en S. Klein. Voor de plaats waar de fabriek zou verrijzen werd van de percelen, aangeboden door W. Kaan, S. Bakker en D. Klein het perceel van de eerstgenoemde, bijgenaamd de 'Fok' het best bevonden.

De boeken zouden worden bijgehouden door O.J. Bosker. Op de vergadering van de 24e maart 1904 kwam het ontwerp voor de te stichten fabriek ter tafel, de heer L. Spaander, schoolmeester, zou tekening en bestek verder uitwerken. Op 27 maart nam het bestuur het besluit 1,71 snees bouwterrein (snees 284 m2), voor 153 gulden te kopen van de heer W. Kaan, voor eigen rekening een welput te graven en de benodigde materialen onderling gratis aan te voeren. De levering van de fabrieksinventaris, een stoomketel, melkbak, kaaspers en weikelder (alles 'onder garantie van een eerste klas kwaliteit'), grote en inhoudsmeter (levering franco), werd gegund aan Wissekerken te Anna Paulowna. De boekhouder kreeg, om de eerste uitgaven te bestrijden, honderd gulden. De heer  C.S. Bakker was de geldschieter. Voor het maken van de putten werd de puttenmaker Piet Everts uit de Elft gevraagd. De aanbesteding vond op 11 april plaats. Zes biljetten werden ingeleverd; D. Boersen f 3015,-, J. Hegeman f 3199,-, N. Poel f 3400,-, G. Timmerman f 3230,-, W. Hermans f 2940,- en C. Rutsen f 3025,-. De volgende dag besloten de aandeelhouders van de fabriek W. Hermans het werk te gunnen.

Uit acht sollicitanten werd op 17 mei P. Molenaar uit Anna Paulowna tot kaasmaker benoemd. Salaris f 10,- per week, met een verhoging als het aantal koeien der aangesloten boeren de honderd zal hebben bereikt, vrij wonen, vrij kaas, boter, melk, brand, licht, personele belasting en zout (!). Dan nog procenten, al naar gelang de kwaliteit van de kaas. Ook de begroting van de Stichtingskosten kon worden ingediend: f 5000,= voor grond, registratie, gebouw, welput, inventaris en de post onverzien. De Eendracht zou een goede toekomst tegemoet gaan. In 1915 werd 931.699 kg melk verwerkt, 39747 kazen gemaakt en 271 kg boter gemaakt. Op 8 februari 1905 werden de eerste stappen ondernomen om in Hippolytushoef te komen tot het gezamenlijk in een fabriek doen verwerken van de melk tot kaas en boter.

Fragment uit 'Leven en werken toen Wieringen nog een eiland was', herinneringen uit de jaren 1900 - 1925 door C. Metselaar.


Oosterland door rondreiziger J. Craandijk:

Is ons een teleurstelling bereid, nu wij het merkwaardige kerkje van Stroe niet meer vinden. ’t Is daarentegen een verrassing dat de kerk van Oosterland onder een belangrijkers is dan onze berichten omtrent Wieringen hadden doen vermoeden. Ook in deze kerk had de aartsdiaken van den Utrechtschen dom de bevestiging der pastoors behouden; al was ook hier de aanstelling een recht van de hollandschen graaf en wellicht was dit de tweede als het eigendom van St. Maarten op Wieringen genoemde kerk. ’t Is een gebouw van zeer ongelijke duifstenen, met gegoten muren, waarin enkele ramen in later tijd zijn geplaatst, maar die toch nog de oude kleine vensters en rondbogen genoegzaam hebben behouden.

Het is aan de achterzijde met een platten, gekoolteerden muur gesloten, sedert in 1838 het koor is gesloopt. De hoge toren met stenen spits is blijkbaar jonger dan de kerk. Door stormen werd voor enige jaren het dak belangrijk beschadigd en na dien tijd werd hier geen dienst meer gedaan. De inwendige betimmering werd grotendeels weggebroken, groene schimmel bedekt de gekalkte wanden, dikke lagen stof en scherven van gebroken dakpannen verbergen de geschonden zerken, door de van glas beroofde ramen huilt de zeewind, door de gaten in het dak schijnt de blauwe hemel, -- ’t is een toorncel van verwoesting en verwaarlozing. Maar er is toch iets wonderbaar aantrekkelijks in dit verlaten kerkje op den heuvel bij de zee. 

Enkele zerken zijn nog tamelijk werd bewaard. Een er van geeft een ontwortelden boom, enige nagenoeg uitgesloten tonen nog overblijfsels van ouder versiering; ene dekt het graf van een officier, die met het schip Oranjewoud was vergaan. Er is sprake van, dat ook deze kerk, als ten enenmale onbruikbaar, zal worden gesloopt. Toch is het muurwerk nog hecht genoeg en de herstelling van dit gebouw zou waarschijnlijk minder kosten dan de stichting van een nieuw bedehuis. Maar zou het ooit voor de godsdienstoefening weer geschikt worden, dan is het toch hoogst waarschijnlijk, dat van het antieke voorkomen maar weinig gespaard zou blijven. ’t Zou kunnen in elk geval te betreuren zijn, als ook dit eenvoudig en waarschijnlijk voor de geschiedenis der bouwkunst niet onbelangrijk gedenkteken verdween, zonder dat er een haan naar kraait. Maar welk college trekt zich nu zulke overblijfselen aan? De commissie uit de Koninklijke Academie van Wetenschappen en die der Rijks adviseurs konden althans nog iets doen en iets voorkomen, al was ’t niet viel. Wie kan en wil nu ten minste voor zorgvuldige opmeting, bouwkundige toekenning en de nodige toelichting zorgen?

Het dorpje Oosterland betekent weinig. Het ligt kaal en boomloos in de vlakte, dicht aan zee, waarvan het door een uiterwaard is gescheiden, Wat verder, eveneens aan zee, ligt het dorp Den Oever, wat groter en aanzienlijker als een dicht ineen gebouwde buurt, met houten en stenen gevels. Eens heeft het vrij wat welvaar genoten door de lichter schippers, die er woonden en door de berging van goederen uit verongelukte schepen. De kettingpompen, die er nog lang bewaard werden, hebben vrij wat goede diensten gedaan en de kleine houten kapel was herhaaldelijk vol met geredde koopwaren. Ter herinnering aan de redding van een in het ijs bekneld schip, hangt er nog ’t model van een scheepje. Ook bezat het dorp in der tijd een gasthuis. De opkomst van De Helder door het graven van het Noord-Hollandsch kanaal was de ondergang van Den Oever. Thans wordt het meest door visschers en wiermaaiers bewoond. Een stuk wierdijk is nog overgebleven.

Door J. Craandijk, rondreiziger. Uit ‘Eigen Haard’, geïllustreerd Volkstijdschrift uit 1885. Onder redactie van H. de Veer, ds E. van der Veer en Ch. Rochussen.

Lees meer over de dorpen en buurtschappen op Wieringen, lees meer...